Duizeligheid

De mens is uniek in deze wereld, het is het enige wezen dat echt goed functioneert in een rechtopstaande houding. Om deze rechtopstaande houding goed te bewaren hebben wij een systeem tot onze beschikking die ons daarbij helpt, het evenwicht. Maar hoe handhaven wij ons evenwicht? Waarom wil de ene persoon tien keer in de achtbaan en komt de ander er na 1 keertje al groen van de misselijkheid uit. Of, waarom kan een turnster ogenschijnlijk zonder moeite over een evenwichtsbalk lopen, terwijl bij bepaalde ziektes mensen zo duizelig kunnen zijn dat ze niet eens kunnen staan?

Bij beide voorbeelden speelt het evenwichtsorgaan een belangrijke rol. In het ene geval werkt het evenwichtsorgaan optimaal en in samenwerking met het visueel systeem (zien) en het houdingsgevoel om de balans van het lichaam te bewaren. In het geval van misselijkheid en/of duizeligheid is er juist sprake van een verstoring in de onderlinge afstemming van de signalen. Deze tekst behandelt de vraag hoe het evenwichtsorgaan door zijn bouw en verbindingen met de hersenen in staat is informatie over draaiingen en verplaatsingen van het lichaam waar te nemen en te verwerken. Het evenwicht- cq. balanssyteem bestaat uit 3 onderdelen:

A) het evenwichtsorgaan

Waar zit het evenwichtsorgaan? Bij de mens en de meeste andere zoogdieren zit het evenwichtsorgaan samen met het gehoororgaan goed ingepakt in het linker en rechter rotsbeen, een sterke botmassa in de schedel. Het evenwichtsorgaan bestaat uit twee onderdelen:

  • de otolieten 2 types, de sacculus, deze meet de verticale en voor- en achterwaartse bewegingen en de utriculus deze meet alle bewegingen in zijwaartse en voor- achterwaartse richting. Zowel de utriculus als de sacculus bestaan uit rijen speciale zintuigcellen: de haarcellen. Deze zintuigcellen hebben aan de bovenkant een soort “haren”, genaamd stereocilia, die uitsteken in een laag van kristallen (otoconia). Door bewegen van het hoofd in verticale en horizontale richting buigen deze haarcellen. Afhankelijk van de richting waarin deze buigen wordt er een signaal aan de hersenen doorgegeven. Dus in een lift en een wegrijdende tram of metro, zijn het de otolietorganen die de bewegingen registreren en aan onze hersenen doorgeven.
  • de halfcirkelvormige kanalen van het evenwichtsorgaan meet de draaibewegingen wanneer wij ons hoofd draaien. Deze kanalen bevinden zich aan weerszijden in het rotsbeen van ons hoofd. Wij hebben een horizontaal kanaal en twee vrijwel loodrecht op elkaar staande verticale kanalen. De verticale kanalen staan onder een hoek van 45 graden en het horizontale kanaal staat, wanneer we ons hoofd recht houden, onder een hoek van 30 graden. De halfcirkelvormige kanalen zijn gevuld met een stroperige vloeistof. Wanneer er een plotselinge draaiing van het hoofd plaatsvindt, blijft de vloeistof in de kanalen tijdelijk achter bij de draaiing van het hoofd. Hetzelfde zie je als je een dikkere vloeistof in een glas beweegt, zelfs als het glas stil staat na de draaibeweging draait de vloeistof nog door (wet van traagheid). Ook in deze halfcirkelvormige kanalen zitten haarcellen die buigen door de vloeistof beweging. Net als zeewier dat door de golven in het water heen en weer zwaait. Door de verschillende posities van deze kanalen worden de draaibewegingen waargenomen en aan de hersens doorgegeven. Zo weten wij dus met onze ogen dicht of wij naar links of naar rechts draaien. Probeer eens met je ogen dicht in een draaistoel naar links te draaien en stop de stoel, na het stoppen heb je nog steeds het gevoel dat je naar links draait. Dit komt omdat de vloeistof in je halfcirkelvormige kanalen nog steeds doordraait.

B) Onze ogen

Zijn simpel gezegd net een videocamera, ze nemen de omgeving op en geven het signaal door aan een bandje, bij ons zijn dat de hersenen. Als je de camera scheef houd komt het beeld er ook scheef op. Daarom moeten onze ogen steeds bijgestuurd worden om het beeld recht op ons netvlies te laten vallen. De oogbol is daarom in de oogkas zeer beweeglijk. De bewegingen komen tot stand door de werking van de zes (dwarsgestreepte) uitwendige (dat wil zeggen buiten de oogbol liggende) oogspieren die de oogbol met de oogkaswand verbinden. Er zijn twee horizontale, twee verticale en twee schuine oogspieren. Door de werking van de twee horizontale oogspieren is draaiing van de oogbol om een verticale as mogelijk (naar links en naar rechts kijken). Door de werking van de bovenste en onderste rechte oogspieren draait de oogbol naar boven en naar beneden om een horizontale, van links naar rechts lopende as, terwijl de bovenste en onderste schuine oogspieren de vloeiende samenwerking van de rechte oogspieren bevorderen. Als je het hoofd van iemand vast pakt en je kijkt hem recht in de ogen en gaat dan het hoofd naar links buigen zal je zien dat de ogen naar rechts draaien, dit alles om er voor te zorgen dat het beeld recht op het netvlies valt. Als de houding dus veranderd van het hoofd worden er spieren aangespannen, deze geven weer signalen door naar het evenwichtssysteem en deze informatie wordt weer vergeleken met de informatie die het evenwichtsysteem had ontvangen van de evenwichtsorganen.

C) Spier- en peesgevoel

Dit is het derde systeem dat ons helpt met het bewaren van ons evenwicht. In onze spieren en pezen zitten meetinstrumenten, met een duur woord proprioceptoren, genaamd. In de pezen meten ze de hoeveelheid rek en deze informatie wordt weer naar de hersens gestuurd via het ruggenmerg. In de spieren zitten meetinstrumenten die de lengte van de spier meten, dit zijn de spierspoeltjes. Deze spierspoeltjes zijn een zeer ingenieus systeem nadat de spier wordt aangespannen geven ze de verandering door aan de hersenen, maar zij passen zichzelf daarna ook weer aan om zodoende weer een nieuwe lengte verandering te kunnen meten. Dus als je naar rechts leunt dan worden de spieren aan de rechterkant korter en aan de linkerkant langer, beide systemen geven dit door, samen met de informatie van de pezen, aan onze hersenen. Hierdoor weten wij precies waar onze armen, benen en lichaam zich in der ruimte bevindt zonder er naar te hoeven kijken.

Alle informatie van deze 3 systemen wordt gestuurd en voortdurend vergeleken met de andere informatiebronnen van het evenwichtssysteem. Deze vergelijking vindt vooral plaats in de kleine hersenen (het cerebellum). De flocculus, een bepaald gebied van de kleine hersenen, heeft gebieden met dezelfde organisatie als de vlakken van de halfcirkelvormige kanalen. Hier vindt dan ook deze continue ijking plaats. Voor het aanleren van bewegingsvaardigheden zoals het lopen over een evenwichtsbalk zijn de kleine hersenen dan ook van groot belang. Als dit gebied beschadigd wordt of niet goed ontwikkelt, leidt dit tot evenwichtsstoornissen.

Onze liefhebbers van de achtbaan aan het begin van het verhaal zijn dus blijkbaar in staat om ook onder extreme omstandigheden hun evenwichtsorgaan goed te laten functioneren
en de signalen hiervan in hun hersenen goed te combineren met informatie uit andere zintuigbronnen. Ook onze turnster kan zo elegant over de evenwichtsbalk lopen dankzij een geperfectioneerde balans van de cellen in het evenwichtsorgaan. Haar verfijnde motoriek is het resultaat van langdurige training waarbij informatie uit het evenwichtsorgaan gecombineerd wordt met info uit andere zintuigbronnen zoals het visuele systeem (zien) en het houdingsgevoel. Het evenwichtsorgaan met zijn ingenieuze soft- en hardware is dus aardig ingewikkeld. Het gaat mis wanneer ergens in het evenwichtsorgaan of in de hersenen dit gecompliceerde proces van informatieverwerking verstoord raakt. De verkregen informatie uit de verschillende systemen klopt dan niet meer en de persoon ervaart dat als een balans verstoring en probeert dat te corrigeren door b.v. meer naar links, rechts, naar voren of achteren te leunen met het hoofd of zelfs met het hele lichaam. Dan raakt het evenwichtssysteem letterlijk uit balans.